Schemerende kleuren

Het moet erg zichtbaar zijn dat ik, een hippiemeisje met piekhaar en een aantekenboekje, nooit in staat zal zijn een schilderij van Matthias Weischer (Duitsland, 1973) te kopen. Toch behandelen de beheerders van de galerieën me heel vriendelijk en moedigen ze me aan de tentoonstelling op mijn gemak te bekijken. Ik voel me vrolijk, maar iets minder vrij dan ik me in een museum zou voelen, waar ik een entreekaartje heb betaald en de geëxposeerde schilderijen niet te koop worden aangeboden. Een voordeel is echter dat hier het meest recente werk van Weischer wordt vertoond, ‘vers uit het atelier’. Dat is kleiner en spiritueler van aard dan de pretentieuze, wat steriele composities die hij vroeger schilderde, en waarvan onder andere het Haags Gemeentemuseum er enkele heeft aangekocht.

Hier zie je twee bijna abstracte composities van Weischer, feesten van verfspetters en -klodders, oerwouden van verschillende tinten donkergroen. Maar wie goed kijkt, kan in beide schilderijen een bloem ontwaren, in het linker een grote, nieuwsgierig geopende, in het rechter een minuscule lelie op de grond. De grote lijkt op een zuignap die de woestenij van kleuren gulzig in wil drinken, terwijl de lelie zich – als in meditatieve toestand – stilhoudt op de bodem en zich bezint op het spektakel om zich heen.

Het linkerdoek is opnieuw een haast abstract schilderij, ware het niet dat de grote groene vlakken op muren lijken, waar een strookje licht tussendoor valt. Het lijkt me fantastisch om het dikke verfoppervlak met mijn vingers aan te raken, dat knoestige maanlandschap met uitstulpingen en kraters. Door het groen heen zie je verschillende andere kleuren schemeren, een beetje geel, oranje, rood en paars, en in de spleet tussen beide vlakken, waar het groen vermoedelijk met een mesje is weggekrabt, worden dieperliggende lagen zichtbaar, met name blauw en geel. Dit schijnbaar monotone schilderij vormt in werkelijkheid een spel van kleur, van suggestie en belofte. Ook het rechterdoek komt in eerste instantie ingetogen over, maar ontleent een zekere spanning aan de oranje gloed uit een spleet tussen muur en plafond, en aan het dromerige kleurenpalet in de deuropening. En wat doet dat blauwe schoentje daar linksonder?

In zijn werken van de afgelopen maanden brengt Weischer steeds een klein palet van onvermengde kleuren aan, blijkbaar de tinten die hij in het betreffende doek heeft verwerkt. Die tinten zijn veel feller dan de rest van het schilderij, waar hij ze tot lieflijke pastelkleuren heeft vermengd.

Lieflijk is ook de thematiek van zijn recente werk. Het linkerschilderij heet Primavera, wat ‘lente’ betekent, naar het beroemde schilderij van Sandro Botticelli. Inderdaad geeft het een vrouwfiguur in een dromerige omgeving weer, onder een boompje met lentebloesems. De houding en de omtrek van de figuur heeft hij echter niet aan de Primavera van Botticelli ontleend, maar aan diens Geboorte van Venus (de positie van de benen, links een uitstekende elleboog en rechts het golvende haar).

Opnieuw is hier en daar wat verf weggekrabt, zodat – op de plek van de bloesems en aan de randen – dieperliggende verflagen aan de oppervlakte komen. De zindere, felgekleurde zomer is broeierig aanwezig op dit lenteschilderij, zoals de lente ook in werkelijkheid een veelbelovend voorproefje vormt van de zomer.

Wat doe je me aan?

Veel performancekunst gaat om het zichtbaar maken van geweld. ‘Doe met me wat je wilt,’ vermeldde het bordje in de museumzaal waar kunstenares Marina Abramovic zwijgend stond, in eerste instantie gekleed, omringd door rozen, messen en een geladen pistool. Regina José Galindo heeft haar lichaam ingesmeerd met kool en laat zich door mannelijke acteurs beplassen, terwijl omstanders toekijken en niets doen. In een andere performance verbeeldt een bulldozer het geweld dat mensen de natuur aandoen, en daarmee elkaar.

Oerverbondenheid

De meest basale vorm van meditatie is het aandachtig volgen van je ademhaling, van het ritme ervan: in – uit – in – uit. Met een hand op je buik kun je extra goed voelen hoe je voller en leger wordt, voller en leger, zodat je er vaag van doordrongen raakt dat leven expansie en inkeer is, expansie en inkeer, onophoudelijke interactie tussen jezelf en de buitenwereld, een ritmische dans, een uitwisseling.

Op eenzelfde manier zijn de aquarellen van Barthélémy Toguo (Kameroen, 1967) meditaties over de innige verstrengeling van mensen onderling en van mensen met planten, dieren en de atmosfeer. Alle levende wezens zijn verbonden via het licht en de lucht die ze delen, de sappen die ze uitscheiden en indrinken, maar ook door de natuurwetten waar ze zonder onderscheid aan onderworpen zijn. Het werk van Toguo brengt zo het christelijke besef tot uitdrukking dat alle organismen op aarde ‘ledematen van één lichaam’ zijn. ‘Indien één lid lijdt, lijden alle ledematen mede, en als één lid eer ontvangt, verheugen alle ledematen zich daarin.’ (Paulus, Eerste brief aan de Korinthiërs.)

Hieronder enkele kunstwerken van Toguo, voorzien van de poëtische associaties die ze in mij opriepen.

 

Leven is voelsprieten en tentakels zijn, handen die tasten en grijpen, zelfs schreeuwen.
Maar ook handen die aanreiken, wegwerpen, geven, opdat er elders een tekort wordt aangevuld.

 

In erotisch-plantaardige verstrengeling bestaan we, niemand uitgezonderd, al doet je intellect meestal anders geloven. In werkelijkheid groeit er op je hoofd een boom van levensaderen, waardoor je met al het andere – zelfs het meest afstotelijke – bent verbonden.

 

De hele wereld is borsten met druipende tepels, waaruit ik – een duizendhoofdige baby – gulzig drink.

 

Ook ben ik een akker om de druppels die anderen doen vloeien op te vangen, ter verbetering van mijn oogst. Zoals ik hier lig, met mijn buik op de aarde, drink ik van haar krachten, en op mijn achterhoofd ontstaat het begin van een boompje. Aan mijn tong ontspruiten takjes en blaadjes, en de levensmelodieën die ik adem sterken eenieder die ze hoort.

Hedendaagse kunst

Het is voor mij heel verleidelijk me in het werk van dode kunstenaars en schrijvers te verdiepen als ik op zoek ben naar diepgang en schoonheid. Maar de laatste tijd is mijn verlangen gegroeid om hedendaagse expressievormen op het spoor te komen, artistieke verbeeldingen van de chaotische, soms dreigende en destructieve wereld van tegenwoordig, zodat die wereld iets minder onherbergzaam voelt en zich van haar lyrische zijde toont. Ik ben bij de figuratieve schilderkunst begonnen, een van de media die het meest direct tot mijn verbeelding spreekt. Hieronder een overzicht van mijn ontdekkingen.

De populaire kunstenares Marlene Dumas (Zuid-Afrika, 1953) snijdt spannende thema’s aan, zoals macht, erotiek en geboorte. Haar figuren zijn vaak een soort vlekken zonder heldere contouren, waarmee ze lijkt te suggereren dat zien en gezien worden vooral een spel van schijn en projectie is. Wie anderen zijn en wie je zelf écht bent – het is nog niet zo gemakkelijk je daar een toereikend beeld van te vormen.

In het werk van Anselm Kiefer (Duitsland, 1945) staat vergankelijkheid centraal, en wordt geprobeerd om – daar dwars tegenin – het verleden opnieuw present te stellen. Zo brengt Kiefer klassieke mythes tot leven en verwijst hij – vooral in zijn vroege schilderijen – geregeld naar de Tweede Wereldoorlog. (Het zwarte plukje haar is dat van een gestorvene in een concentratiekamp: Dein aschenes Haar, Sulamith.) Ook reiken naar ‘het hogere’ – via vleugels of een trap de hemel in – is een steeds terugkerend thema.

Een heel jonge kunstenaar wiens werk ik bewonder, is Andrej Dubravsky (Slowakije, 1987). Hij brengt ont- luikende mannelijkheid en homo-erotisch genot in verband met het schimmige, demonische en duistere, waardoor zijn schilderijen de spanning en innerlijke strijd van homoseksueel-zijn in een conservatief land invoelbaar maken. In meer algemene zin behandelt zijn kunst de thematiek van schuld en lust, waarbij lust als een dwingende, ondoorgrondelijke natuurkracht wordt voorgesteld.

Net als Henri Matisse schildert Erik Mattijssen (Nederland, 1957) bont ingerichte interieurs vol bloemen en decoratieve tapijten. Eén serie schilderijen heeft hij – geïnspireerd door Andy Warhol – aan verpakkingen van blik gewijd. Daarin benadrukt hij niet hun banale wegwerpkarakter, maar hun esthetische kwaliteit.

Met felle kleuren en grove verfstreken creëert Chantal Joffe (Verenigde Staten, 1969) een treffende indruk van het karakter en de gemoedstoestand van haar (veelal vrouwelijke) geportretteerden. Kunstenares Alice Neel vormt daarbij een belangrijke inspiratiebron.

Keer op keer legde Tim Lowly (Verenigde Staten, 1958) zijn gehandicapte dochter Temma vast op meer dan levensgrote doeken. Het schilderij Temma on Earth benadrukt hoe ze, net als iedereen, zonder waarom in de wereld is ‘geworpen’. Het doek Carry Me laat zien met hoeveel draagkracht en liefde haar familieleden haar omringen. Het portret waarop ze, ingebakerd als een kloosterzuster, in een zwarte ruimte zweeft, heeft – vanwege de subtiele lichtval – een mystiek karakter, en doet aan schilderijen uit de Renaissance denken.

Daniel Richter (Duitsland, 1962) refereert heel direct aan de actualiteiten: mensen in bootjes, op de vlucht, weerloos overgeleverd aan de wolven. Dit alles in onnatuurlijk felle kleuren, zodat er een spookachtig effect ontstaat. Het schilderij van het mishandelde paard doet me denken aan een scène uit Misdaad en straf van Dostojevski. Daarin herinnert de moordenaar Raskolnikov zich in een droom hoe hij als kind getuige was van het doodknuppelen van een weerloze pony, en hoeveel pijn dat hem deed. De droom vormt een eerste aanzet tot het herleven van zijn gevoelens van empathie en medemenselijkheid.

De surrealistische schilderijen van Jakub Julian Ziolkowski (Polen, 1980) zijn uitingen van walging over de hedendaagse, geseculariseerde consumptiemaatschappij, een wereld zonder idealen, waarin mensen banale vleeslappen zijn en geld, seks en competitie de hoofdrolspelers vormen. De doornenkrans op het hoofd van een doorgedraaid, veelogig wezen roept associaties met de lijdensweg van Christus op. Daarnaast zie je een soort laatste oordeelscène, waarbij mensen en consumptievoorwerpen zonder onderscheid – omringd door braaksel – door een gat in de grond worden opgezogen. In de verte klinkt een echo van Hieronymus Bosch.

In de schilderijen van Noah Davis (VS, 1983-2015) spelen machtsverhoudingen tussen zwart en blank een belangrijke rol. Zo zie je een donkere man die een blanke overmeestert bij een bokswedstrijd, maar ook een rij anonieme zwarte schimmen (slaven?) en een zwarte man die als een knechtje de nationaal-socialistische filmmaakster Leni Riefenstahl vergezelt. Daartegenover staan de dromerige, zelfs hoopvolle taferelen van een scheurende muur, een nachtelijke balletvoorstelling in een woonwijk, baders in een fantasielandschap en een teder koppel in de badkamer.

In een geheel eigen, collage-achtige stijl brengt Jitish Kallat (India, 1974) de onderlinge verbondenheid van de inwoners van metropool Mumbai in beeld. Op de plek van hun haar schilderde hij een wirwar van details uit hun dagelijks leven, van mensfiguren, dieren en voertuigen. Die geestesinhouden, uitgevoerd in strakke zwarte lijnen, vloeien over in elkaar en vormen de voorgrond van zijn schilderijen, terwijl de afzonderlijke mensen een beetje flets en schimachtig blijven – hoe reëel is eigenlijk individualiteit? In sommige werken van Kallat spelen ook (menselijke?) karkassen, flarden van de natuur (verlangens van de stadsbewoners?) en verwijzingen naar de traditionele Aziatische schilderkunst, waaronder De golf van Hokusai, een rol.

De feministische kunstenares Nancy Spero (VS, 1926-2009) recyclede eeuwenoude vrouwelijke archetypes en gaf haar werken titels zoals Cri du coeur, Female Bomb en Une fatigue du commencement du monde.

Tot slot een paar hyperrealistische doeken van Ellen Altfest (Verenigde Staten, 1970), die een herinnering oproepen aan Lucian Freud. Maar Altfest werkt natuurgetrouwer dan Freud, bijna fotografisch, waarbij ze – in tegenstelling tot foto’s – elke ‘pixel’ van het beeld even scherp weergeeft. Haar aandacht gaat uit naar de textuur en beharing van individuele (mannelijke) lichaamsdelen, die ze tot bijna abstracte voorwerpen omtovert en naast andere voorwerpen met opmerkelijke texturen plaatst.

Innerlijk wit bewaren

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog maakte Pablo Picasso deze portretten van zijn minnaressen Marie-Thérèse Walter en Dora Maar. Dora, een surrealistische kunstenares met een zwaarmoedig karakter, leed hevig onder het dreigende klimaat in Europa, maar nog méér onder Picasso’s structurele ontrouw. Op het portret staan Dora’s neusgaten en zwaar bewimperde ogen wijdopen en heeft haar gezicht de chaotische veelkleurigheid van de buitenwereld overgenomen. Ze is zonder verweer, volkomen blootgesteld, en met de pseudo-opgewektheid van haar hoedje en haar machteloze poging beschutting te vinden achter een zakdoek versterkt ze slechts de dramatiek van het tafereel.

Marie-Thérèse miste Dora’s intellectuele aanleg, soms tot ergernis van Picasso, die haar vooral begeerde om haar ongecompliceerde sensualiteit. Op dit portret verbeeldt hij haar echter niet als lustobject, maar als een soort heilige. Haar rechteroog, het hooggeplaatste, kijkt voor zich uit, de wereld in, maar het linkeroog is half gesloten en in zichzelf gekeerd. Marie-Thérèse weet haar sereniteit, haar ‘innerlijk wit’ te midden van uiterlijke duisternissen te bewaren. Het blauw langs haar voorhoofd, neus en kin vormt de plaats waar haar huid en de buitenwereld elkaar raken, maar fungeert ook als een aura dat haar binnenste beschermt.

Zoals Het meisje met de parel van Vermeer roept Marie-Thérèse met bloemenkrans de vraag bij me op hoe het mogelijk is om zoveel uiterlijke kwetsbaarheid aan zoveel innerlijke harmonie te paren. Niet afgestompt te zijn, maar ook niet overweldigd zoals Dora Maar, in wie het schreeuwt en hoekig is vanbinnen. Misschien kan het helpen om langdurig naar de parelachtige portretten van Picasso en Vermeer te staren, opdat hun beeld op mijn netvlies wordt gebrand en oproepbaar is in turbulente tijden.