Toeristen en bedelaars

‘In Tunesië zagen we een keer een man zonder benen, met van die lege broekspijpen. M’n zus kreeg medelijden en wilde hem geld geven, maar ik hield haar gelukkig tegen. Even later zagen we hem voorbij hollen; blijkbaar had-ie ineens z’n benen weer, en vlug dat-ie ging. Die lui binden hun benen achter zich vast om zielig te lijken. Je hebt ook moeders die hun kinderen door de modder laten rollen voordat ze uit bedelen worden gestuurd; dan zien ze er lekker smoezelig uit en denken de toeristen dat ze echt heel arm zijn.’ – Zijn ze dat dan niet? vraag ik verwonderd aan de vrouw die smullend haar vakantie-anakdotes met mij en een groepje anderen deelt. ‘Bedelen is in zulke landen een hele business,’ valt een man haar bij. ‘Maar als je ze iets geeft, houd je het systeem in stand.’ Hij blijk te doelen op vormen van toerisme waaraan de plaatselijke bevolking nauwelijks verdient, omdat alleen de grote – veelal westerse – corporaties het geld opstrijken. Hoe die corporaties (hotels, bars en reisorganisaties) geholpen zouden zijn met mijn steun aan een lokale bedelaar is mij onduidelijk. ‘Ook in India komen de straatkinderen van alle kanten op je af, met uitgestrekte handjes en allerlei rotzooi die ze je willen verkopen. Heel zielig allemaal, maar je moet ze niks geven en ze meteen wegsturen. Je kan er toch niks aan veranderen.’

Maakt het extra bakje rijst of de ananas die het gezin van zo’n bedelend kind met het verdiende geld kan kopen dan geen verschil? vraag ik me af. En hoe zit dat met twéé bakjes rijst, twéé ananassen, of misschien zelfs een kledingstuk of een fiets of een kunstgebit, bepaalde medicijnen of een weeklang dagelijks brood – is dat geen wereld van verschil, zelfs al is er slechts één individu mee geholpen? Denk aan de pijn die je zelf zou voelen als je aangereden bent en bloedend op straat ligt. Maakt dan het feit dat je ‘maar één individu’tje bent’ de pijn minder indringend, de nood aan helpende handen minder prangend, en de opluchting als je geholpen, zelfs genezen wordt minder groot? Laat een individu zich, omdat-ie maar in z’n eentje is, zo radicaal relativeren dat de ene mens onverschillig kan staan tegenover de honger en ellende van een ander die hij tegenkomt?

Toerist-zijn in een derde wereldland lijkt me onbevattelijk, omdat je geconfronteerd wordt met het verschil dat je wél kunt maken, niet wat ‘het systeem’ betreft, maar in de levens van concrete mensen – gewoon omdat je westers bent en geld hebt. (Rijk ben je in vergelijking met arme Indiase en Afrikaanse gezinnen zelfs als je in Nederland een uitkering hebt.) Zo’n confrontatie met onze luxepositie is ongelooflijk onaangenaam en maakt je – als het goed is – verlegen. Ideeën over een onrechtvaardig, van hoger hand gereguleerd systeem zijn dan een manier om jezelf van het besef van je eigen verantwoordelijkheid te verlossen. Maar zou het ook mogelijk zijn om adequaat, gewetensvol op de confrontatie met de onrecht- vaardige verdeling in de wereld te reageren? Wat is adequaat? Hoe klein moet ik gaan wonen, hoeveel boeken mag ik mezelf toestaan maandelijks te kopen, hoeveel van mijn geld zou ik weg moeten sturen, en waarheen?

Advertenties

Klassieke muziek

Weinig dingen zijn me dierbaarder dan klassieke muziek. Niet dat ik haar superieur acht boven andere muzieksoorten, maar voor mij weerspiegelt ze het best de dubbelzinnigheden en complexiteiten van het leven. Zoals ik, staande voor een schilderij waarop een mensfiguur is afgebeeld, vaak prevel: ‘zie de mens’, in de hoop ontvankelijk te worden voor het mensbeeld dat erin wordt uitgedrukt, zo zou je een muziekuitvoering die te beginnen staat – de musici stemmen hun instrumenten, de dirigent neemt zijn positie in – kunnen inluiden met de frase: ‘Zo is het leven: …’ En na afloop beaam je, al applaudiserend: ‘Ja, precies zo is het.’ Het betreffende stuk heeft een existentieel gevoel verklankt, een harmonie of een conflict, gerepresenteerd in melodielijnen die langs elkaar schuren en opklimmen of afdalen, dansen of wenen. In geïntensiveerde vorm is een gedaante van het leven gepasseerd, en voor zover de muziek je mee heeft kunnen voeren, heb je geproefd van een woordenloze waarheid.

Een voorbeeld van een existentieel conflict vind je in droevige muziek, waarin droefheid en schoonheid met elkaar strijden om het laatste woord. Misschien overheerst in dit leven uiteindelijk de schoonheid wel, ga je als luisteraar geloven, omdat er zelfs in droefheid schoonheid schuilt. Dalen en klimmen kom je veelal in religieuze muziek tegen, waar de Sündenmensch over zijn onvermogens en de kwellingen van dit leven klaagt (Ich versink im tiefen Schlamm), maar de droefheid tot beloftevol verlangen wordt getransformeerd, en zwevende countertenors een voorproefje van de hemel geven.

Levensbevestigend zijn Beethoven en Mozart; strijdlustig wil je de wereld in marcheren als je hun symfo- nieën hebt gehoord. Je wordt die trotse wandelaar van Caspar David Friedrich, die, in elegante pandjesjas op een rotsblok staande, over een subliem, in nevelen gehuld landschap uitkijkt, een soort veroveraar. Soms is de muziek van deze componisten dartel, zelfs teder; ook veroverende naturen behouden diep vanbinnen iets kinds, en ook in de mannelijkste mannen kan iets vrouwelijk-weeks schuilgaan. De uitbundige Mozart heeft bovendien stukken gecomponeerd, zoals de abstracte pianofantasie in d mineur, die je als meditatief of etherisch kunt omschrijven.

Klassieke muziekliefhebbers in mijn omgeving heb ik vaak horen beweren dat je luistergenot dieper en verfijnder wordt naarmate je oor (technisch) geoefender is en je op hoger niveau zelf musiceert. Ik geloof niet dat dat waar is. Natuurlijk helpt het als je op jonge leeftijd met klassieke muziek in aanraking bent gebracht of een instrument hebt leren bespelen; je vindt dan met meer gemak je weg in het overweldigende muzikale aanbod. Maar het belangrijkste lijkt me je gevoeligheid: ben je in staat om je te laten raken, je eigen gevoelens mee te laten resoneren met de verklankte? Daarvoor hoef je niet geoefend te zijn, en dat vermogen wordt niet per definitie groter naarmate je meer verstand hebt van muziek of je er meer mee bezighoudt.

Wel zal er van nature een verschil zijn in de wijze waarop een jonger en een ouder iemand luisteren naar klassieke muziek. De jongere zal vooral oor hebben voor de dominante emoties in een stuk; de nuances proeft hij vermoedelijk minder bewust, omdat hij onstuimiger in het leven staat en nog niet vertrouwd is met het enorme palet aan grijstinten dat al het bestaande omgeeft. Een oudere, die meer ervaring heeft opgedaan met het samengaan der tegendelen, zal minder hevig opgaan in slechts één emotie, maar zich veeleer laten raken door muziek die een overzichtsblik biedt en de zwaarte enigszins lichtvoetig en de vrolijkheid weemoedig maakt.

Voordat je geboren was

‘Als je doodgaat, is het weer net als voordat je geboren was.’ Dat schijnt mijn allereerste filosofische inzicht te zijn geweest, ontstaan naar aanleiding van de dood van een huisdier. ‘Waarom is alles zoals het is?’ vroeg mijn zus een keer vanaf het achterzitje op mijn moeders fiets. Misschien zijn de grootste filosofische vragen wel kinderlijke vragen, afkomstig van mensen die nog niet zo aan het leven gewend zijn geraakt.

Meister Eckhart was een onorthodoxe middeleeuwer die zijn tijdgenoten aanmoedigde om, via meditatie- oefeningen, terug te keren naar hun ‘voorgeboortelijke’ staat. Daartoe moest je jezelf eerst leeg maken van alle verlangens en ideeën die zich in de loop van je leven in je hadden opgehoopt, zelfs van ideeën over God: ‘Daarom bid ik God dat Hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voor zover wij God op het niveau van de schepselen begrijpen.’ Eckhart geloofde dat er in iedere mens iets ‘ongeborens’ bestaat, een gelukzalige verbondenheid met de oorsprong en grond van alle dingen. ‘In mijn eerste oorzaak wilde ik wat ik was en was ik wat ik wilde.’ Pas achteraf hebben we die oorsprong een eigennaam gegeven, ‘God’. Dat is misleidend, want God is geen object of persoon, maar een zeldzaam moment van tijdloosheid dat een mens – ook als volwassene – tijdens zijn leven kan smaken.

Concertgebouw

Toen ik net twintig was geworden, nam een nogal pretentieuze medestudent – met gel in z’n naar achteren gekamde haar, een maatpak en een leren koffertje – me mee naar het Concertgebouw. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor. Het was een uitverkocht pianoconcert, maar wij studenten hadden last minute een tien euro-ticket kunnen bemachtigen. Vlakbij de pianist zaten we, op het balkon achter het podium, zodat we diens handen over het instrument konden zien vliegen en op de toetsen rammen. Indrukwekkend, maar geenszins zoals de lieflijke romantici die ik gewend was, Chopins nocturnes, Schumanns Kinderszenen. Wat hij speelde weet ik niet eens meer, ik vond het niet bijzonder mooi, maar was toch zodanig gefascineerd en gegrepen dat ik in de erop volgende maanden bijna wekelijks naar het Concertgebouw ging.

Op een gelukkige avond ontdekte ik de magistrale zijbalkons, waar je je een halfgod op de Olympus waant, uitkijkend over een – in sereen licht badende – classicistische tempel vol sierlijke bogen, gedecoreerde pila- ren en met glanzende parels behangen grachtengordeldames. De muziek kwam in golven over me heen, die me soms overrompelden en onderdompelden en mee de zee in sleurden, maar me soms juist verder het strand opstuwden, vervreemd vanwege het onvertrouwde van de klanken, het gebrek aan melodie, aan melodieën althans die mij bekend waren, wat me de mogelijkheid ontnam om de klanken en wendingen die gingen komen enkele seconden van tevoren mentaal voor te bereiden, mijn innerlijke mond precies op het juiste moment watertandend open te houden voor de lekkere hapjes die de musici me toe zouden werpen.

Omdat de muziek geen structuur voor me had, maar veeleer een massieve klankmuur was, luisterde ik op een heel onbevangen, lichamelijke manier. Soms was het alsof er een vulkaan uitbarstte in de zaal, alsof de wereld verging of alsof er juist een groots verlossingsgebeuren plaatsvond, dat ons concertbezoekers boven al het kleinmenselijke uit deed stijgen in een rijk waar ‘alles voor altijd goed’ zou zijn. Het lichamelijke luisteren maakte ook Le sacre du printemps van Stravinsky – dat juist bekend staat als een ‘moeilijk’ stuk; tijdens de première ervan liep het publiek demonstratief de concertzaal uit – zo bijzonder meeslepend, alsof ik middenin een seksueel geladen oerritueel was beland, en bedwelmd werd door beukende dansen en hallucinerende middelen. Niet ik, maar mijn lichaam begreep de muziek en kon er, vanaf de eerste klanken tot het einde, in meevibreren, alsof ik zelf een instrument op het podium was, het trillende vel van een trom of pauk, de sidderende snaren van een viool of cello.

En dan was er na afloop altijd het applaus, niet zozeer bedoeld voor de musici zelf, maar voor de registers van de werkelijkheid die zij, ‘dienstknechten van de Schoonheid’, voor ons geopend hadden: de afgronden, de hemelen, de waan dat we de dingen des levens eindelijk begrepen hadden, de melodie van die dingen althans, hun afwisselende stijgen en dalen, hun verspringende ritmes. Met z’n allen hadden we filosofie bedreven in de concertzaal, wij luisteraars evenzeer als de musici en de (meestal reeds overleden) com- ponist die dit alles mogelijk had gemaakt. En daarom was het applaus meer een existentiële ontlading dan een dank en eerbetoon aan medemensen, hoewel ook dankbaarheid in een applaus niet afwezig is. Het is een grotere dankbaarheid – aan mens-zijn überhaupt, en aan het feit dat het leven één groot muziekstuk is.

Bijpassende citaten van Schopenhauer, voor wie muziek de hoogste kunstvorm was:

‘Muziek is een onbewuste oefening in metafysica, waarbij de geest niet weet dat hij aan het filosoferen is.’

‘Deze nauwe verwantschap tussen de muziek en het ware wezen van alle dingen levert de verklaring voor het feit dat wanneer we bij een of ander tafereel, een of andere handeling, gebeurtenis of omgeving een bijpassende muziek horen, deze muziek ons de meest verborgen betekenis ervan lijkt te onthullen en zich presenteert als het meest adequate en duidelijke commentaar op dit alles. Het verklaart eveneens waarom het iemand die zich helemaal overlevert aan de indrukken van een symfonie, voorkomt dat hij alle mogelijke voorvallen uit het leven aan zich voorbij ziet trekken; maar als hij erover na gaat denken, kan hij geen gelijkenis ontdekken tussen dat muziekstuk en de dingen die hem daarbij voor de geest staan. Want zoals gezegd is het verschil tussen de muziek en alle andere kunstvormen, dat de muziek geen afbeelding is van de verschijning […], maar een onmiddellijke afbeelding van de wil zelf en dat ze dus van al het fysische in de wereld de metafysische kant weerspiegelt, en van alle verschijnselen het ding-op-zichzelf. We zouden de wereld dus met evenveel recht belichaamde muziek als belichaamde wil kunnen noemen.’

Kloosterlingen

Het thema van de kloosterling drong zich (weer eens) aan me op tijdens het beluisteren van een opera van Francis Poulenc, Dialogues des Carmélites. Zestien vrouwen, van piepjong tot heel oud, die ten tijde van de Franse Revolutie weigeren hun gemeenschappelijke gebedsleven op te geven, worden veroordeeld tot de dood door onthoofding, omdat ze in hun vroomheid aanhangers zouden zijn van het ancien régime. De laatste tien minuten van de opera verklanken de laatste minuten uit het leven van de zestien zusters, hun standvastige, maar toch ook klaaglijke Salve Regina, dat langzaam wegsterft naarmate de vrouwen één voor één door de guillotine tot zwijgen worden gebracht.

Salve Regina, mater misericordiae;
Vita, dulcedo et spes nostra, salve. (3x)
Ad te clamamus, exculses filii Evae.
Ad te suspiramus, gementes et flentes (2x)
in hac lacrimarum, lacrimarum valle.
Eia ergo, advocata nostra, illos tuos
misericordes oculos ad nos convente.
Et Jesum, benedictum fructum ventris tui,
nobis post hoc exsilium ostende.
O clemens, o pia,
O dulcis Virgo Maria. (2x)

Deo Patri sit gloria
et Filio qui a mortuis
surrexit ac Paraclito
in saeculorum saecula,
in saeculorum…

Wees gegroet, Koningin, genadige moeder;
Ons leven, onze hoop en toeverlaat, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ontheemden van Eva.
Tot u smeken wij, zuchtend en wenend,
in dit aardse tranendal.
Daarom dan, onze pleitbezorgster,
sla op ons uw barmhartige ogen.
En toon ons, na deze ballingschap,
Jezus, de gezegende vrucht van uw schoot.
O genadige, o liefdevolle,
O zoete maagd Maria.

Ere zij God de Vader
en de Zoon, die uit de doden
is opgestaan, en de Trooster
in de eeuwen der eeuwen,
in de eeuwen…

De overgebleven vrouwen zingen dapper door, met steeds minder in getal zijn ze, steeds serener klinkt hun zang, steeds ijler ook. Sterft met hen de traditie van het kloosterleven, die, hoewel ze in de 19e en vroege 20ste eeuw nog een laatste opleving kent, in onze tijd een rariteit is geworden?

Nee, volgens mij bestaan er ook tegenwoordig nog talloze kloosterzusters en -broeders, ik ken er zelfs een paar, spreek soms met ze af of mail met ze, met de broeders in beperkte mate, alsof er tralies tussen ons bestaan die ons ervan weerhouden het spirituele door het hartstochtelijke te laten vertroebelen. Maar ‘be- richtjes als het jouwe en deze zijn zo klein dat ze door de tralie passen’, schreef een broeder laatst.

Ze vallen niet zo op, de kloosterlingen van de 21ste eeuw, maar je kunt ze herkennen aan hun neiging tot ‘kluizenaren’ (een werkwoord dat een vriendin van mij gebruikt om haar periodes van bezinning en creativiteit aan te duiden), aan hun smaak ook, die soms opvallende overeenkomsten vertoont. Het was een broeder die me de Dialogues des Carmélites adviseerde: ‘Ik wist dat je het mooi zou vinden; en inderdaad, dat einde van Poulenc is schoonheid en wreedheid inéén, ondraaglijk dus.’

Afgelopen week raadden twee zusters me – onafhankelijk van elkaar – de poëtische muziek van Eefje de Visser aan. In één liedje van haar, Er is, ontwaar ik een echo van de geest van de onschuldig vermoorde karmelietessen: ‘Niemand heeft een misdaad begaan. We zijn er niet aan onderdoor gegaan. Nee, we gaan door,’ we leven – onopvallend – voort in alle 21ste-eeuwse minnaars van het ware, het schone en het goede.

Er is

We gaan door
Niemand heeft iets opgemerkt
En er viel niet veel op
Ik denk niet dat dat het opviel
Ik heb er niets van gemerkt
Ik ben vergeten hoe we gegaan zijn
Ik ben vergeten hoe het gegaan is
Ik wilde weten waar we waren
En
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

We gaan door
Niemand is hier dakloos hoor
Niemand heeft iets gedaan
Misdaan
Niemand heeft een misdaad begaan
We zijn er niet aan onderdoor gegaan
Nee
Ik wilde weten hoe het ons afging

Er is een zon vlakbij die boven ons langs gaat
Er is vlakbij een maan waaronder we door gaan

Heilzaam zingen

‘Since singing is so good a thing
I wish all men would learne to sing.’
William Byrd, 16e-eeuwse Britse componist

Een mens mag dan wat zonderling worden gevonden als hij zich zingend door de openbare ruimte beweegt, maar er kleven grote voordelen aan dagelijks zingen. Allereerst is het een manier om de ervaringen van de dag te verwerken en jezelf moedwillig in een bepaalde – melancholische, serene of opgewekte – stemming te brengen. Muziek heeft immers een heel directe invloed op ons gemoed. Het werd om die reden gehekeld door veel vroegere filosofen, die door muziek opgewekte emoties onecht noemden, en waarschuwden voor losbandigheid of verwekelijking onder invloed van muziek. Ja, het heeft een verzachtende, ontwapenende werking, je wordt er niet stoerder of gedisciplineerder van – tenzij je er een sport van maakt om goéd te leren zingen, je stem te trainen en je te bekwamen in het lezen van bladmuziek.

Dat laatste hoeft echter niet. Eenvoudige melodieën zijn voldoende om heel intens in een bepaalde sfeer te belanden. Je kunt ze leren door een opname van het betreffende stuk een aantal keren te beluisteren en de lyrics van één of enkele coupletten uit je hoofd te leren. Zodra het in je systeem zit, ben je een rijker mens en kun je overal – op de wc, op de fiets – in je melodie afdalen, die zich als een web om de gebeurtenissen van het moment zal spinnen en je zal helpen er de poëzie van te zien. Ben je verliefd, dan kun je het vol- gende slaapliedje voor je (al dan niet aanwezige) geliefde willen zingen, maar voor jezelf kan ook. Het hoeft niet eens avond te zijn – overdag kan de kalmte van Oblivion soave (‘Zoete vergetelheid’) van Monteverdi eveneens weldadig zijn:

Adagiati, Poppea,
acquietati, anima mia,
sarai ben custodita.
Oblivion soave
i dolci sentimenti
in te, figlia, addormenti.
Posatevi, occhi ladri;
aperti, deh, che fate,
se chiusi ancor rubate?
Poppea, rimanti in pace;
luci care, care, care e gradite,
dormite, dormite, homai dormite, dormite.

Bewust geef ik de vertaling van het liedje er niet bij, omdat het aangename hem juist zit in het proeven van afzonderlijke Italiaanse woorden waarvan de betekenis zich wel zo’n beetje laat raden, zoals ‘acquietati’ (rustig worden), ‘anima mia’ (mijn ziel), ‘dolci sentimenti’ (zachte gevoelens), ‘in pace’ (in vrede), ‘care’ (lief) en ‘dormite’ (slapen). Een ander favoriet kalmeringsmiddel van mij is Gib dich zufrieden van Johann Sebastian Bach, een gezongen gebed om innerlijke vrede:

Gib dich zufrieden und sei stille
In dem Gotte deines Lebens;
In ihm ruht aller Freuden Fülle,
Ohn ihn mühst du dich vergebens.
Er ist dein Quell
Und deine Sonne,
Scheint täglich hell
Zu deiner Wonne.
Gib dich zufrieden!

Er ist voll Lichtes, Trosts und Gnaden,
Ungefärbten treuen Herzens;
Wo er steht, tut dir keinen Schaden
Auch die Pein des größten Schmerzens;
Kreuz, Angst und Not
Kann er bald wenden,
Ja auch den Tod
Hat er in Händen.
Gib dich zufrieden!

Het zeventiende-eeuwse lied Maria durch ein Dornwald ging schijnt te zijn gezongen tijdens processies ter verering van Maria, de Moeder Gods. De tekst is veeleer lieflijk en poëtisch dan uitgesproken vroom. Wie de coupletten een aantal keer herhaalt, zal in een aangename staat van trance of meditatie raken, precies zoals de processiegangers van weleer.

Maria durch ein Dornwald ging,
Kyrie eleison.
Maria durch ein Dornwald ging,
der hat in sieben Jahr kein Laub getragen.
Jesus und Maria.

Was trug Maria unterm Herzen?
Kyrie eleison.
Ein kleines Kindlein ohne Schmerzen,
das trug Maria unter ihrem Herzen.
Jesus und Maria.

Da haben die Dornen Rosen getragen,
Kyrie eleison.
Als das Kindlein durch den Wald getragen,
da haben die Dornen Rosen getragen.
Jesus und Maria.

N.B. Mannen kunnen dezelfde liederen een octaaf lager zingen.

Wrange schoonheid

Ik ben op zoek naar een nieuwe, moeilijkere schoonheid dan de schoonheid die ik vind in de afgeronde motieven en aangename melodieën van Monteverdi en Bach, in de krachtpatserij van Michelangelo of de volmaakte verstilling van Vermeer, in de klinkende sonnetten van Shakespeare of de zoetsappigheid van de romantici. Ik zoek een schoonheid die de wrange kanten van het leven niet wegpoetst of polijst, maar ze in al hun pijnlijkheid integreert en tot klinken brengt – de onrust, het niet-weten van onder of boven, van minder of beter, een levensgevoel, kortom, waarin het relativisme op de loer ligt, maar er toch ook een onverwoestbaar besef van urgentie resteert, van waarde en belang, en van de kwetsbaarheid daarvan (Lucebert: ‘alles van waarde is weerloos’).

De schoonheid die ik zoek is duister als de schrijnende melodieën van de 16e-eeuwse Italiaanse componist Gesualdo, die zijn echtgenote en haar minnaar op heterdaad had betrapt en vermoord en de rest van zijn leven met een ondraaglijk schuldgevoel kampte. ‘Gesualdo begon motetten te componeren die heel anders klonken dan andere motetten uit de Renaissance. De bas kan zich verheffen boven de sopraan en bij elke toon kan de stemming zelf wankelen.’ (Eugen Drewermann) De schoonheid die ik zoek is broeierig en wild, als de blik in de ogen van de keurige heren en dames die de Spaanse hofschilder Francisco Goya in tijden van bijgeloof, kerkelijke indoctrinatie en oorlogsgeweld portretteerde. Woordkunstenaars zoals onze eigen Lucebert zoek ik, die zich niets aantrekken van grammatica en verstaanbaarheid voor ons daglichtverstand, maar de bestaande taal heruitvinden via dromerige associaties en opzwepende ritmes.

voortaan zal de hete ijzeren keel
der ontroerde beulen muzikaal opengaan

Beukende componisten zoek ik, Stravinsky met Le sacre du printemps, waarin het leven zich, ontdaan van alle franje, manifesteert als orgie en strijd. De lyrisch verlangende en schurende klanken van de Tsjechische Leoš Janáček, de missen en motetten van Frank Martin en Francis Poulenc, vol stemmen die vertwijfeld zoeken en tasten naar de aanwezigheid van… God. Maar wie is dat eigenlijk?

Psalm (Paul Celan)

Niemand knetet uns wieder aus Erde und Lehm,
niemand bespricht unseren Staub.
Niemand.

Gelobt seist du, Niemand.
Dir zulieb wollen
wir blühn.
Dir
entgegen.

Ein Nichts
waren wir, sind wir, werden
wir bleiben, blühend:
die Nichts-, die
Niemandsrose.

Mit
dem Griffel seelenhell,
dem Staubfaden himmelswüst,
der Krone rot
vom Purpurwort, das wir sangen
über, o über
dem Dorn.

Psalm

Niemand herkneedt ons uit aarde en leem,
niemand geeft woord aan ons stof.
Niemand.

Geloofd zijt gij, Niemand.
Om uwentwil zullen
wij bloeien.
U
tegemoet.

Een niets
waren wij, zijn wij, zullen
wij blijven, bloeiend:
de niets-, de
niemandsroos.

Met
zielsheldere stamper,
de meeldraad hemelswoest,
de kroon rood
van het purperwoord, dat we zongen
over, o over
de doorn.