Empathie met mate

In psychologiemagazines en populaire boeken over moraal speelt ‘empathie’ tegenwoordig een belangrijke rol. Het begrip – afgeleid van het Griekse em (in) en pathos (gevoel) – wordt pas sinds het begin van de 20ste eeuw gehanteerd; daarvóór waren christelijke noties als naastenliefde belangrijker. Bij naastenliefde ligt de nadruk echter op het gevoel van degene die liefheeft, terwijl empathie de nadruk op het gevoel van de naaste legt, waarin de empathische persoon op de een of andere manier zou moeten binnentreden. Maar wat houdt dat ‘binnentreden’ of ‘invoelen’ in andermans gevoelens eigenlijk in?

Je zou kunnen denken dat het, op een heel basaal niveau, om het overnemen van de gevoelens van de ander gaat. Dat kan zelfs een klein kind. Zo schijnt de baby van een depressieve of gestreste moeder minder te lachen dan de baby van een moeder die onbezorgd en vrolijk is. Ook steken baby’s elkaar onderling vaak met huilen aan: begint de één, dan volgen ook de anderen. De autistische zoon van de Australische dichter Les Murray begon vaak hysterisch te schreeuwen om andermans woedeuitbarstingen te overstemmen. Hij heeft die woede van anderen dus, ondanks of juist door zijn autisme, haarfijn aangevoeld en zelfs overge- nomen. Maar is dat empathie?

Ik denk dat de meeste mensen die vraag met ‘nee’ zouden beantwoorden. Empathie heeft weliswaar met het voelen van andermans emoties te maken, maar er is nog een ander belangrijk aspect: dat je je ervan bewust blijft dat het om ándermans gevoelens gaat. Wanneer je je immers laat opwinden door de woede of laat terneerslaan door het verdriet van de ander, is noch die ander, noch jijzelf daarbij gebaat. Mogelijk loopt een situatie waarin twee mensen in dezelfde heftige stemming verkeren juist uit de hand. Het gaat bij de tegenwoordig zo vaak aangeprezen vorm van empathie vooral om de juiste maat: dat je je voldoende openstelt om iets mee te krijgen van de emoties van de ander, een lichamelijk steekje, een subtiele vleug gevoel, zonder dat je volkomen door het overgenomen gevoel in beslag wordt genomen, en als gevolg meer oog hebt voor jezelf dan voor de ander.

Empathie lijkt dus, grappig genoeg, gebaat te zijn bij een zekere óngevoeligheid voor het gevoel van de ander: een kleine, voorzichtige dosis empathie is genoeg. Bovendien is het verstandig om een pakket van empathische standaardreacties paraat te hebben: ‘Goh, wat erg voor je’, ‘Hoe voelde dat?’, ‘Ja, dat kan ik me goed voorstellen’, een zachtaardige, meelevende blik, de juiste glimlach, de juiste frons, een arm die je op het juiste moment bij de ander om de schouder slaat. Al die ‘methodes’ wapenen je in zekere zin tegen al dat gevoel dat je van buitenaf bestormt: door niet méé te gaan in al die hevigheid, zélf volledig aangeslagen, maar een vriendelijke, troostende buitenstaander te blijven, bevestig je de situatie: jíj bent degene die huilt en nu mijn steun nodig heeft, niet ik.

Slothypothese: juist kinderen en mensen met autisme, die heel basaal door andermans emoties worden beïnvloed en getransformeerd, zijn – in letterlijke zin – het meest empathisch. Wijs en volwassen word je naarmate je een beetje afgestompt bent geraakt, met als voordeel dat je zowel jezelf als de ander beter kunt beschermen tegen de dwingende, verwarrende duiveltjes die emoties kunnen zijn.

Advertenties

Radicaal gemeenschappelijk

Er schijnen Afrikaanse talen te bestaan waarin er geen eerste persoon enkelvoud (ik, mij, mijn) is, zodat het spreken over jezelf altijd plaatsvindt in termen van ‘ons’ en ‘wij’. Je bent dan een verlengstuk van je familie of clan, en iedere vorm van bezit is gedeeld. Winst maken schijnt in zo’n wij-cultuur lastig te zijn, omdat een goed verdienende ondernemer verplicht is zijn opbrengsten te steken in het lenigen van de noden en het aflossen van de schulden van zijn minder succesvolle naasten. De positieve keerzijde daarvan is dat een gemeenschap als geheel een uiterst krachtig organisme vormt, waarvan de zwakte van de één door de sterkte van de ander wordt gecompenseerd, zonder dat men zichzelf expliciet als sterker of zwakker, beter of minder dan de ander ervaart: je maakt immers tezamen deel uit van hetzelfde ‘wij’, en de kracht van de ander is je eigen kracht, en de pech van de één is de pech van iedereen, die gezamenlijk wordt opgevangen. Rancune van de zwakkeren jegens de sterken, zoals je hier in het Westen vaak vindt, en minachting van de sterkeren jegens de zwakken, zouden in zo’n wij-cultuur niet of in mindere mate aan de orde zijn.

Toen twee Afrikaanse uitwisselingsstudenten, ik ben vergeten uit welk land, me dit verschil tussen de ik- en de wij-cultuur hadden uitgelegd, realiseerde ik me al snel dat het voor mij onmogelijk zou zijn om in zo’n wereld van radicale gemeenschappelijkheid te leven. Het betekent namelijk ook dat privacy vrijwel afwezig is, en dat het verlangen om alleen te zijn, afwijkende interesses te hebben en eigen beslissingen te nemen als een ernstigere vorm van ziekte zou worden gezien dan een verstandelijke handicap of een geamputeerd been. Een dergelijk verlangen is in zo’n omgeving simpelweg onbekend, niet-bestaand, want als ‘wij’ en ‘ik’ hetzelfde zijn, vind je de veilige kalmte die ik zoek in het alleen-zijn júist in het samen-zijn met bekenden en verwanten. Terwijl samen-zijn voor mij meestal een interessante, maar inspannende confrontatie oplevert met het anders-zijn van de ander, is samen-zijn in zo’n wij-cultuur niet confronterender dan bijvoorbeeld de samenwerking van je linker- met je rechterhand – een vanzelfsprekendheid dus, een vorm van in-je-element-zijn, bij-jezelf-zijn, tot rust kunnen komen.

Mijn vriend vertaalde een gedicht van de Australische dichter Les Murray, The Cows on Killing Day, dat van een grote vertrouwdheid met de belevingswereld van koeien getuigt. Ook bij hen zouden ‘ik’ en ‘wij’ samenvallen, zodat de opmerkelijke dichtregel ‘All me have just been milked’ (‘Alle ik zijn net gemolken’) duidt op een collectieve ervaring van gemolken-zijn. Het gedicht brengt een wij-beleving tot uitdrukking die, zo stel ik me voor, nóg primairder en zintuiglijker is dan de ervaring van een Afrikaanse wij-cultuur, omdat dieren de werkelijkheid lichamelijk beleven en, misschien méér nog dan mensen, kuddedieren zijn. In het betreffende gedicht wordt een spel gespeeld met de Engelse taal: het daarin bestaande onderscheid tussen ‘I’ en ‘we’ is overbrugd via zinsnedes als ‘All me’ (‘Alle ik’) en ‘Me, facing every way, spreading out over feed’ (‘Ik, me naar alle kanten over het voer verspreidend’).

Hieronder kun je de eerste strofes van het koeiengedicht lezen in het oorspronkelijke Engels
van Les Murray en in de Nederlandse vertaling van Maarten Elzinga.

The Cows on Killing Day

All me are standing on feed. The sky is shining.

All me have just been milked. Tits are tingling still
from that dry toothless sucking by the chilly mouths
that gasp loudly in in in, and never breathe out.

All me standing on feed, move the feed inside me.
One me smells of needing the bull, that heavy urgent me,
the back-climber, who leaves me humped, straining, but light
and peaceful again, with crystalline moving inside me.

Standing on wet rock, being milked, assuages the calf-sorrow in me.
Now the me who needs mounts on me, hopping, to signal the bull.

___________________

De koeien op slachtdag

Alle ik staan op voer. De hemel straalt.

Alle ik zijn net gemolken. De spenen tintelen nog na
van het droge tandeloze gezuig van die kille monden
die luid in- in- inslokken en nimmer uitademen.

Alle ik die op voer staan, bewegen het voer door me heen.
Eén ik geurt naar behoefte aan de stier, die zware dringende ik,
de rugbeklimmer, die me geramd achterlaat, belast, maar licht
en weer vredig, met kristallen beweging vanbinnen.

Op natte steen staan, gemolken worden, stilt het kalfsverdriet.
Nu bestijgt me die bronstige ik, huppend, om de stier te lokken.

Je ziet dat het gezamenlijk verrichten of ondergaan van eenzelfde activiteit (eten of gemolken worden) sterker als collectief wordt beleefd dan bijvoorbeeld het besprongen-worden van de ander door de één, waarbij het onderscheid tussen de geile ene en de passieve ander niet wordt ontkend: zélfs kuddedieren als koeien bezitten immers een eigen, afzonderlijk zenuwstelsel. Murrays oplossing is om de meest directe collectiviteit (samen eten of gemolken worden) uit te drukken via ‘alle ik’ of simpelweg ‘ik’, terwijl er bij gescheiden activiteiten (waarbij de één handelt en de ander ondergaat) wordt gerept over ‘die bronstige ik’ tegenover een vertellende ‘ik’, de koe door wiens ogen we kijken. De stier is zowel een (‘zware dringende’) ‘ik’ als een externe realiteit, die – in tegenstelling tot de koeien zelf – bij zijn soortnaam wordt genoemd.

Verderop in het gedicht komt er een oudere ‘ik’ bloedig om het leven:

One me is still in the yard, the place skinned of feed.
Me, old and sore-boned, little milk in that me now,
licks at the wood. The oldest bull human is coming.

Me in the peed yard. A stick goes out from the human
and cracks, like the whip. Me shivers and falls down
with the terrible, the blood of me, coming out of an ear.
Me, that other me, down and dreaming in the bare yard.

All me come running. It’s like the Hot Part of the sky
that’s hard to look at.
[…]
All me make the Roar.

________________

Eén ik is nog op het erf, waar de huid van voer is afgestroopt.
Ik, oud en met zere botten, weinig melk in die ik nu,
likt aan het hout. De oudste stiermens komt.

Ik op het volgezeken erf. Opeens steekt een stok uit de mens
en knalt, als de zweep. Ik siddert en valt neer
terwijl het vreselijke, het bloed van ik, uit een oor naar buiten komt.
Ik, die andere ik, ligt neer, droomt op het kale erf.

Alle ik komen aangerend. Het is als het Hete Deel van de hemel
waar het kijken pijn doet.
[…]
Alle ik doen de Brul.

De dood van de oudste ‘ik’ wordt door het koeiencollectief heel zintuiglijk beleefd: het is een kijken dat even pijnlijk is als het directe opzien naar de zon (‘het Hete Deel van de hemel’). Wanneer de oude ‘ik’ door de mens is neergeslagen, wordt er over die ‘ik’ niet meer van binnenuit, maar in de derde persoon gesproken: ‘ik siddert en valt neer’. De ‘ik’ wordt vanaf het moment van haar overlijden als ‘die andere ik’ aangeduid, terwijl de overige, nog-levende koeien ‘alle ik’ zijn (dus niet ‘de overige ik’ of ‘alle ik minus één’). De gestorvene is blijkbaar onmiddellijk uit het collectief losgeweekt. Wel is dat voor ‘alle ik’ bijzonder pijnlijk, en met een zekere agressie ‘doen [ze] de Brul’, als blijk van verzet en ongenoegen jegens de moordenaar (‘Neem de stiermens op de horens!’). Het lichaam van de gestorvene is extern aan de kudde geworden, maar het bloed dat uit haar vloeit wordt nog steeds als levend en eigen ervaren: ‘het vreselijke, het bloed van ik’.

All of dry old me is crumpled, like the hills of feed,
And a slick me like a huge calf is coming out of me.
[…]

All me run away, over smells, toward the sky.
________________________________

De oude droge ik ligt verschrompeld, als de voerbergen,
en een glibberig ik als een reuzenkalf komt uit me te voorschijn.
[…]

Alle ik hollen weg, over geuren, op de hemel af.

Omdat ook de geboorte van een kalf met het vloeien van bloed gepaard gaat, bestaat er voor de koeien een sterke relatie tussen bloed en leven. Een jong kalf wordt onmiddellijk in het koeiencollectief ingelijfd, en het is dan ook via het gutsende, glanzende bloed – en niet zozeer via het verdroogde lijk – dat de verwant- schap met de gestorven koe (‘die andere ik’) nog éénmaal heel intens wordt ondergaan. Maar dan laten ‘alle ik’ het bloederige gebeuren voor wat het is en hollen ze, omringd door de geuren van gras en vrijheid, ‘de hemel’ tegemoet van het gezamenlijk-nog-in-leven-zijn.

Mentale Schutzmantel

Een van de meest tedere voorstellingen uit de christelijke traditie is de Schutzmantelmadonna. Iemand vertelde me dat hij, toen hij eens een moeilijke periode doormaakte, bijzonder geraakt werd door een middeleeuwse Schutzmantelmadonna in een Oostenrijks kerkje. Het betrof een beeld van Maria die haar beschermende mantel rondom alle mensen slaat die hun toevlucht bij haar zoeken: monniken, nonnen en kardinalen, maar ook boeren en bedelaars, kamermeisjes en hooggeplaatste adellijke figuren. In de middel- ste afbeelding hierboven zijn Maria’s beschermelingen naakt, wat hun wezenlijke gelijkheid benadrukt: voor de christelijke oermoeder doen rangen en standen, talenten en prestaties er niet toe.

Maar de Schutzmantelmadonna is méér dan alleen een archaïsch christelijk symbool. Het is een beeld van onvoorwaardelijke ontferming en respect, die – op een minder tot de verbeelding sprekende manier – ook besloten liggen in ons hedendaagse ideaal van compassie (cum = samen, pathos = lijden), en misschien zelfs in een juridisch document als de Mensenrechten. Een Schutzmantel (beschermingsmantel of mantel der liefde) zou je kunnen zien als de mentale toestand van iedere mens die probeert de waardigheid van zijn medemensen niet uit het oog te verliezen, hoe moeilijk dat onder sommige omstandigheden ook kan zijn. Het gaat om een ontvankelijkheid voor andermans lijden, en een besef dat we in ons vermogen tot lijden allemaal hetzelfde zijn – en elkaars schützende liefde en mildheid nodig hebben.

De utilitaristische filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832) gaat nog een stap verder. Hij stelt namelijk voor om onze mentale Schutzmantel niet voor te behouden aan mensen alleen:

Misschien komt er een dag dat wordt erkend dat het aantal benen, de behaardheid van de huid of het uiteinde van het staartbeen geen reden mag zijn om andere gevoelige wezens te mishandelen. […] De vraag is niet: kunnen zij redeneren? of: kunnen zij praten? Maar: kunnen zij lijden? […] Er komt een dag dat de mensheid haar mantel van zorg en respect zal uitslaan over alles wat ademt.

Gelukkige belofte

De term ‘pantheïsme’ verwijst naar de overtuiging dat alles (pan) in de werkelijkheid goddelijk (theos) is. Alles is God, of: God in alles. Maar veeleer dan een overtuiging is pantheïsme een gevoel dat je kan bekruipen als je de wonderlijke harmonie van de wereld om je heen ervaart, als de intensiteit ervan zich aan je opdringt, de kleuren, de geluiden, hoe alles in elkaar grijpt, van elkaar afhangt, met elkaar samenwerkt, en je je binnen dat geheel ook zelf een nietig maar onontbeerlijk schakeltje voelt. Als je verliefd bent of door een prachtig landschap wandelt, is het niet moeilijk om pantheïst te zijn. Als je ’s ochtends met een fris gemoed opstaat en de gordijnen opent, en het roze van de zonsopkomst nog niet geheel verdwenen is, of de zonnestralen als fonkelend goud op de natgeregende bladeren weerkaatsen, ben je een ogenblik overtuigd pantheïst. Als je lang binnen hebt zitten schilderen of schrijven en je je eerste stappen buitenshuis zet, de zonverwarmde lucht je met een zachte omhelzing begroet, en je vervolgens langs mooie wateren en huizen naar de winkel slentert, lijkt alles doortrokken van een goddelijke orde.

Maar op sommige plekken is pantheïsme volstrekt afwezig, of op z’n best een diep weggezakte herinnering. Op een werkplek waar het hectisch is, je het gevoel hebt dat je op moet schieten, jezelf bewijzen, waar je je gedachten geen moment de vrije loop kunt laten, waar je je gespannen en bekeken voelt, beklemd, ongelukkig, onvrij, en je toch een glimlach op je gezicht moet bewaren. Of in een woonomgeving die wel een woestijn lijkt, de hectiek en herrie van de straat als een verzengende zon die alle levensenergie wegschroeit uit je ziel en lijf. Amsterdam is in mijn beleving zo’n woestijn, de benauwde kleine kamer die ik er bewoon, waar de ramen niet open kunnen vanwege het kabaal, dat overigens zelfs door die ramen heen genadeloos binnendringt, loeiende sirenes, ronkende motoren. Terwijl pantheïsme een toestand is waarin je je hart ten volle hebt geopend voor het leven om je heen, bestaat het tegendeel van die toestand in een gesloten hart en neergeslagen ogen, oren met oordopjes erin. ‘Waar vind ik stilte?’ als enige vraag.

Op z’n best is pantheïsme dan een herinnering, een belofte: er is toekomst, een gesloten hart kan weer opengaan, zoals een verwelkt blad zich – zolang het niet gestorven is – weer op kan richten, en een gesloten kelk zich weer kan openen om licht en lucht in te drinken, zonder verschroeiingsgevaar. In ieder hart, zelfs het meest verstokte, bestaan er schuilplaatsen van verlangen en zachtheid, van ontvankelijkheid en het vermogen mee te resoneren met al het andere dat bestaat, een innerlijke stem die mee kan zingen in de pantheïstische symfonie van mensen, dieren, planten en misschien zelfs lichtstralen, zandkorrels, druppels en stenen tezamen. Die gelukkige belofte wordt voor mij belichaamd door drie kunstenaars: Frida Kahlo, Barthélémy Toguo en Olaf Hajek.

Frida Kahlo

De Mexicaanse Frida Kahlo (1907-1954) begon met schilderen toen ze op 18-jarige leeftijd herstelde van een ernstig busongeluk. Haar lichamelijke pijn, die haar de rest van haar leven bleef teisteren, verbeeldde ze op een heel plastische manier, bijvoorbeeld door zichzelf als neergeschoten hert te schilderen, of als naakt lichaam dat uiteenspat in een kosmische knal. Ze verbond op die manier haar eigen pijn aan de pijn van anderen, en wist het te ervaren als een universeel fenomeen.

Niet alleen haar leed, maar ook de liefde voor haar man, de bekende kunstenaar Diego Riviera, en voor haar exotische huisdieren, waaronder een troepje zwarte slingerapen, spelen in haar werk een rol, evenals de belangrijkste gebeurtenissen uit haar leven. Zo verwijst Kahlo in één schilderij expliciet naar de miskraam die ze heeft gehad. Je ziet haar naakt en bebloed in een ziekenhuisbed liggen, via rode slangetjes verbonden met een foetus, een medische machine, een verwelkte bloem, een slijmerige slak en haar bekken, dat tijdens het busongeluk verbrijzeld was en vermoedelijk de oorzaak was van haar miskraam.

Ook is er een schilderij waarin Kahlo met een volwassen gezicht en een babylijf in de armen van ‘Moeder Aarde’ ligt, die een masker draagt en haar de borst geeft. In leven blijven is niet vanzelfsprekend – het is een geschenk dat ons door de voedende natuur en de steun van onze medemensen wordt geschonken. In een ander schilderij is Kahlo’s eigen borst geopend en groeien er sappige groene takken met bladeren dwars door haar heen, alsof ze een onderdeel van de plantenwereld is. De nerven van de bladeren lijken een beetje op bloedvaten, zodat de verwantschap tussen plantaardige sappen en menselijk bloed benadrukt wordt. Alles in de werkelijkheid is sapdoorstroomd en magisch, suggereren Frida Kahlo’s schilderijen, en alles – mens, machine, plant en dier – is onderling verbonden.

Barthélémy Toguo

Zoals bij Kahlo is pijn niet afwezig in de aquarellen van Barthélémy Toguo (1967, Kameroen). Zijn figuren, waarvan je slechts de vlekkerige contouren ziet, worden geregeld geteisterd door spijkers die luguber uit hun schedel steken. Leven is een zware, pijnlijke aangelegenheid, zo wordt daarmee gesuggereerd. Ook doodshoofden, in verstrengeling met levende menselijke en dierlijke wezens, keren steeds terug in Toguo’s werk – de dood is een verbindende factor, omdat ze vroeg of laat alle vormen van leven treft.

Andere belangrijke thema’s zijn drinken en vloeien: mensen, dieren en planten drinken immers vocht en zonlicht in, scheiden sappen uit en schenken energie – in de vorm van arbeid of voedsel. In die zin bestaat er een keten van geven en ontvangen, en vormt ieder bestaand element een schakeltje, een doorgeefluik. Zelfs tussen mensen en vissen bestaat er een verwantschap – wij hebben hun vlees nodig, zoals zij onze bescherming van hun wateren. En stammen wij mensen in de verre verte niet van de visachtigen af, van eencellige waterdiertjes?

Olaf Hajek

Op zijn Afrikaanse vrouwfiguren projecteert de Duitse kunstenaar en illustrator Olaf Hajek (1965) datgene waaraan het ons in het Westen ontbreekt: een ongecompliceerd, respectvol leven in verstrengeling met dier en natuur. Uit ónze ogen en monden groeien geen vruchtbare takken, in ónze kapsels nestelen zich geen tropische vogels, uit ónze borsten welt geen klaterende waterval op. Hajeks exotische personages zijn zieners, geboren met een intuïtief weten van de zin van het leven en een identiteit die niet afgebakend is, zoals de individualistische onze, maar die doorloopt in al het vruchtbare en levende dat hen omringt. Hajek schildert een idylle, een verloren paradijs, en het pijnlijke van zijn schilderijen schuilt niet zozeer in de taferelen zelf, maar in de weemoed die ze in onze vervreemde, gesloten harten op kunnen roepen.

Dat Hajek illustraties maakt waar cultuurverarmende, wereldwijd succesvolle megabedrijven als Coca Cola en Apple mee adverteren, vind ik moeilijk te rijmen met zijn overduidelijk pantheïstische, primitivistische ideologie. Misschien staat die ideologie toch verder van hem af dan van Frida Kahlo, die zichzelf als afstam- melinge van de Mexicaanse Maya’s zag en niet ánderen, maar zichzélf in een natuurlijke idylle verbeeldde, door bloemen, hemellichamen en aapjes omringd. Niettemin spiegelt Hajek ons een belangrijke waarheid voor: dat wij mensen onderdeel van de natuur zijn, ja, dat we zélf natuur zijn, en dat ware vreugde slechts bestaat waar we in staat zijn dat te onderkennen.

 

Dierenliefde/ -leed

Volwassenen durven hun verwantschap met beesten – vooral met apen – niet goed onder ogen te zien, en staan vaak dom te lachen bij een kooi met apen in de dierentuin, aldus bioloog Frans de Waal. Een kind ziet daarentegen hoezeer apen op mensen lijken, die intelligente gezichtjes, die verfijnde handen, die manier van lopen en praten, eten, socializen en indruk maken. Volgens mijn vriend hebben groepen apen zelfs een eigen cultuur, die ze doorgeven van generatie op generatie. De 19e-eeuwse koningin Victoria schijnt de aanblik van de eerste apen in een Britse dierentuin disgusting te hebben gevonden – omdat ze er een karikaturale weerspiegeling van de mens in zag, een ongekuiste versie van onze machtswellust en erotische neigingen? Wij allen zijn in feite apen die op hun achterpootjes lopen. Slingeren kunnen we niet meer zo goed, praten des te beter, maar zijn die verschillen niet relatief?

Als kind beschouwde ik mijn kippen, konijn en onze kat als mijn beste vriendjes, net als mijn knuffels – een hondje en een leeuw, die nog altijd bij mijn hoofdkussen zit. Toen ik ouder werd, leerde ik echter dat dierenliefde iets kinderlijks is; dat een 7-jarige best mag huilen om de dood van haar cavia, maar dat het een beetje belachelijk is als een 30-jarige datzelfde doet. Dieren zijn inwisselbaar, zo werd me ingeprent, want het zijn geen echte personen. Bovendien worden ze wereldwijd op immense schaal mishandeld en gedood – voor hun vlees, huid en botten. Waarom zouden we dan al te teergevoelig met één hamstertje om moeten gaan, of met een hondje?

Zoals ik ophield met het praten tegen mijn knuffels en het geloven dat ze een persoonlijkheid hadden, zo hield ik in diezelfde periode op met het praten tegen levende dieren. De magische band die ik als kind zo vanzelfsprekend met hen had, leek te zijn verbroken. Het voelde als een desillusie: buiten de mensen bestaat er geen leven dat het waard is om te worden liefgehad. Alle geloof in intelligentie bij andere wezens – knuffelbeesten, honden, paarden, katten – is kinderlijke projectie. Je zult ermee moeten ophouden als je volwassen wilt worden.

Sommige volwassenen maken een uitzondering voor honden en paarden, dieren die duidelijk kunnen leren en affectie kunnen tonen en ontvangen. Omdat ik sinds mijn 17e op kleine kamertjes in grote steden in de Randstad woon, heb ik echter nauwelijks omgang met dieren, ook niet met honden en paarden. Aan de intelligentie en waardigheid van dieren word ik dan ook zelden herinnerd, hoewel het binnenin mij steevast begint te jubelen als ik een fietstochtje maak over het platteland, en ik kippen zie scharrelen, lammetjes, koeien en paarden, en ik zwanen en meerkoeten door de sloot zie glijden. Dolenthousiast als een kind word ik dan, omdat de dieren me een oprechte, onvervreemde zijnswijze tonen die ik zelf óók zo graag zou bereiken. Toen ik eens in een landelijk klooster verbleef, scheen het me toe dat het grazen van koeien en schapen een vorm van bidden is. Ook meende ik – net als vroeger – een mysterieuze diepte in hun ogen te ontwaren. Maar eenmaal thuis duurde het maanden voordat ik weer eens aandacht zou schenken aan een niet-menselijk wezen – levend in de stad vergat ik zo’n beetje hun bestaan, en ergerde ik me slechts aan hondendrollen op straat en tergend geblaf.

Bij uitstek volwassen ben je als je kippen kunt slachten, tientallen duizenden per dag. Dat deed de man bij wie ik tegenwoordig als privéverpleegster werk – aan het geld dat ik daarmee verdien kleeft het bloed van miljoenen kuikens, die nooit het daglicht hebben gezien en elkaar kaalplukten uit frustratie. Met zes weken waren ze vet genoeg en werden in overvolle kratten naar de slachtfabriek vervoerd, levend aan hun pootjes opgehangen en, na een elektrische schok, onthoofd. Even mechanisch werden vervolgens hun ledematen, veren, bloed en ingewanden verwijderd en afzonderlijk verwerkt – de pootjes voor Japanners en Chinezen, die dat beschouwen als een culinaire lekkernij, en de borst voor Kentucky Fried Chicken en McDonalds.

Een kind dat in zo’n fabriek heeft rondgekeken, zou nooit meer een Big Mac of Kipnuggets willen eten; met een schok zou het begrepen hebben hoe corrupt de volwassen wereld is, en hoe misleidend de pseudo-opgewekte advertenties van McDonalds en Albert Heijn (‘kiloknallers’). Een volwassene kan daarentegen droogjes zeggen: ‘Ach, het zijn maar kippen’, en: ‘Je hoeft om een kip toch niet te huilen.’

Kippen in Auschwitz

Klik hier voor een hartverscheurend filmpje over de slacht van vleeskuikens in Vlaanderen. Je ziet hoe de haantjes worden geselecteerd om onmiddellijk vernietigd te worden – ze groeien immers langzamer en worden minder vet. De overgebleven hennetjes creperen in donkere megastallen, waar ze elkaar kaal- en soms doodplukken, tot het moment van de gruwelijke slacht.

Klik hier om eenmalig of maandelijks te doneren aan Wakker Dier, een organisatie die strijdt voor de afschaffing van de bio-industrie.

 

Verstoppertje

Het lijkt vaak net alsof God verstoppertje met me speelt. Dan meen ik Het/Haar/Hem in een glans van grote schoonheid – zeg een schilderij van Goya of Picasso – te hebben herkend, of in een activiteit – bijvoorbeeld vrijen – en dan ontglipt Het/Zij/Hij me weer. Zodat ik achterblijf als een huilend, drammerig kind. ‘Ik vind het niet leuk meer, kom nou tevoorschijn!’

Ik ben de schoonheid van mooie vrouwen.

Ik ben de levendigheid van de grote stad.

Ik ben in je eigen stem als je religieuze liederen zingt, Monteverdi, Bach.

Ik ben de stilte als je alleen in de natuur bent, of op je meditatiematje.

Maar je bent het niet, al zie ik steeds iets van je glans, hoor ik je telkens fluisteren. Bovendien: hoe moet ik praten over die dwingende, hypnotiserende fluisterstem in een geseculariseerd land, waar de meesten (zelfs ikzelf) niet in een letterlijke God geloven, en waar in de marge slechts zwevers (‘Ik zie aura’s; Rondom ons zweven engelen’) en fundamentalisten (‘De Bijbel/Koran is het Woord van God!’) bestaan? Ik geloof dat er over God niets te beweren valt, maar dat we wel voortdurend door die niet-bestaande God geroepen worden, dwingend aangesproken, betoverd, ontroerd, gelokt.

God is de minnaar die ik zoek in de omhelzing die ik aanga met landschappen, schilderijen, boeken, mannen. Degene die me op een dwaalspoor brengt en in illusies doet geloven (Ik ben dit schilderij; Ik ben in Plato’s filosofie, die van Heidegger en Kierkegaard; Ik ben de grote stad, Amsterdam – je zult dichtbij me zijn wanneer je hier komt wonen). Maar je bent er niet; het schilderij is een plat vlak vol bontgekleurde vormen, dat me na uren staren uitgeput achterlaat; je bent de filosofie met haar duizelingwekkende termen niet, al heb ik jaren nodig gehad om daarachter te komen; je bent niet de stad, dat geheel van herrie, drukdoende mensen, flitsende kleuren.

Je bent de verlokking, de verleiding; érgens in de stad, de filosofie, het schilderij heb ik je waargenomen, in de eerste minuut; maar voor ik het bevatten kon vertrok je weer, om even later op te duiken op een radicaal andere plaats dan waar ik hoopte je éindelijk te zullen omarmen, je te zien van aangezicht tot aangezicht, als de geliefden die we voor elkaar – zo geloof ik ten diepste – zouden kunnen zijn.

Eenzaam avontuur

Ik vind het behoorlijk opwindend om in een echt kunstenaarsatelier op bezoek te gaan. Van tevoren heb ik al het nodige werk van Menso Groeneveld (1970) op Instagram bekeken. Daar werd ik enthousiast over zijn intense kleurgebruik, dat een effect van elektrische geladenheid creëert, en zijn schimachtige, witte lijnen en figuren, die me aan röntgenbeelden doen denken. ‘Mijn werk gaat niet zozeer over iets concreets,’ vertelt Groeneveld me echter. Much To Do About Nothing was dan ook de titel van zijn meest recente expositie. ‘Mijn schilderijen wekken de indruk van een theater waar van alles plaatsvindt, maar in de kern gaat het om muziek, om een gebeuren dat niet in woorden te vangen is. Bovendien wil ik een gevoel van immense ruimtelijkheid creëren in mijn doeken, zodat je er als kijker ingezogen wordt. Dat doe ik door vele lagen over elkaar aan te brengen, alsof je op een kruising staat van verschillende werelden.’

Mijn voorkeur gaat uit naar de schilderijen waarin Groeneveld een meetkundig perspectief combineert met schijnbaar organische en kosmische processen, zodat natuur en technische constructie innig met elkaar verstrengeld zijn. Drie dagen in de week werkt Groeneveld als data-analist bij de Gemeente Amsterdam, waar hij wiskundige berekeningen en modellen maakt. Hij heeft dan ook vóór zijn opleiding aan de Rietveld Academie een universitaire graad in de econometrie behaald. Daartegenover staat echter zijn gevoeligheid voor het numineuze en zijn liefde voor traditionele schilderkunst (van El Greco tot Caspar David Friedrich) en klassieke muziek (van Monteverdi tot Mahler). Wanneer je onverwachts een experimentele annunciatie tussen zijn schilderijen aantreft, word je als kijker steeds alerter op die sluimerende religieuze dimensie.

Een ander thema dat ik in Groenevelds oeuvre ontwaar is eenzaamheid, verbeeld door donkere luchten, onherbergzame vlaktes en verlaten figuren. Gepassioneerd schilderen is een behoorlijk eenzame bezigheid, zo krijg ik de indruk. Want hoewel Groenevelds werkruimte in een bedrijvig ateliercomplex gelegen is, lijkt men elkaar maar zelden onderling te bezoeken. De kunstenaar gaat vooral de dialoog aan met zijn eigen gevoelsleven en met de doeken die rondom hem tegen de muren staan gestapeld. In mijn beleving vormen sommige taferelen van Groeneveld een reflectie op het kunstenaarschap. Het steeds terugkerende, eenzame tentje is dan een verwijzing naar het atelier, en in het schilderij van een bootje zie je hoe een kunstenaar-voerman andere eenzame avonturiers begeleidt naar een mysterieuze wereld aan de overzijde.